Wat doet elektromagnetisme?

Elektromagnetische straling maakt communicatie mogelijk 

 

Elektromagnetische straling heeft drie belangrijke eigenschappen. Energie-overdracht, frequentie en informatiedracht.

Energie-overdracht: Wanneer u in de zon ligt wordt u bruin. Bij een matige blootstelling aan de zon treedt er een positief effekt op: uw huid gaat vitamine D aanmaken. Wanneer u te lang in de zon ligt, dan verbrandt u. U kunt er littekens van overhouden. Wanneer u zich in uw leven regelmatig blootstelt aan zonlicht, dan kunnen huidcellen blijvend beschadigd raken. Het effect van straling is namelijk cumulatief: elke nieuwe blootstelling wordt opgeteld bij wat u al heeft gehad. Vergelijk het met het koken van een ei. Het effect van 5 minuten koken is hetzelfde als 5 periodes van 1 minuut, ondanks tussenliggende afkoeling. Onze huidcellen kunnen dermate beschadigd raken dat het DNA zich niet kan herstellen en er daardoor een verhoogde kans op huidkanker bestaat.

Frequentie: Vergelijkbaar met de toonhoogte varieert bij straling het aantal trillingen per seconde. De golflengte wordt bepaalt door het aantal trillingen per seconde en de afstand die het in 1 seconde heeft afgelegd. De verschillende frequenties worden op een schaalverdeling weergegeven. De variatie in het aantal trillingen per seconde wordt het spectrum genoemd. De golflengte wordt in de figuur uitgebeeld door symbolen die op een specifieke afmeting slaan. Afb.: Wikipedia.

 

Gammastraling is van alle straling het meest energierijk. Deze komt vrij bij het uiteenvallen van atoomkernen, zoals bij de radioactieve bestanddelen van kerncentrales en atoombommen. Röntgenstraling komt vrij bij het terugvallen van een elektron in een kleinere baan rondom de atoomkern. Toepassing daarvan is bijvoorbeeld het beschieten van een kristal met röntgenstraling om de afstanden van de atomen in het kristalrooster te bepalen. In het ultraviolette en zichtbare deel van de elektromagnetische straling zit de informatie omtrent de verdeling van de elektronen in de moleculen. Het infrarode gedeelte van het spectrum vertelt ons iets over vibraties van atomen binnen het molecule en ook de rotaties van de moleculen. De frequentieband van de microgolven wordt gebruikt om stoffen te verhitten in een magnetronoven. Scanners die werken met kernspinresonantie meten absorbtie in de frequentieband van radiogolven. Daarmee kan de ruimtelijke structuur van een eiwitmolecule bepaald worden.

Informatieoverdracht: Elke atoom en molecule heeft door zijn samenstelling een uniek patroon van absorptie en emissie van elektromagnetische straling. Met behulp van spectrumanalyse kunnen astronomen bepalen welke stoffen zich in onze zon, of ver verwijderde sterren, bevinden. Meer nog: het is zelfs mogelijk te berekenen uit de verschuiving van de spectraallijnen, wat de relatieve snelheid is van de aarde ten opzichte van de sterren. Zelfs al zou slechts een gedeelte van het spectrum zichtbaar zijn, dan nog blijven stoffen identificeerbaar in dit ontvangen signaal. Ook in de chemische industrie kan men met spectrometrie de stoffen identificeren.

Een voorbeeld van een herkenbaar patroon wat tot identificatie van de substantie leidt is de volgende afbeelding: Afb.: Open Universiteit

 

Een tot dan toe onbekende substantie kan dan in het spectrum geanalyseerd worden door middel van het patroon van pieken en dalen. Het wordt vergeleken met de stoffen uit het archief en daardoor kan de onbekende stof worden geidentificeerd.

Informatieoverdracht in biologische systemen

Alle substanties, zowel chemische als biologische, kunnen straling opnemen alsook uitzenden. Tot voor kort was het niet mogelijk om het uitzenden van elektromagnetische straling in biologische systemen waar te nemen. Daar was het signaal te zwak voor. Daar is verandering in gekomen door de computergestuurde CCD camera's die in staat zijn licht te registreren van buitengewoon zwakke signalen. Het laboratorium in Amersfoort van Meluna Research is daar een voorbeeld van. Een bezoek aan dit laboratorium vond ik uitermate overtuigend. De zeer zwakke lichtsignalen die door biologische systemen worden uitgezonden worden biofotonen genoemd. Inmiddels is door verder onderzoek gebleken welke celgroepen van een orgaan de meest actieve zijn. Dat blijkt niet het orgaan zelf te zijn, maar de bindweefselmatrix, oftewel de cellen waarin het orgaan is opgehangen. Organen blijken te worden aangestuurd in hun activiteit door de ontvangen biofotonen en de betroffen cellen gaan daar hun activiteit naar instellen. Zie artikel van R. van Wijk: Biophotons in Diagnostics.

 

De activiteitsregulatie van cellen komt tot stand door de uitwisseling van hormonen of andere stoffen die kunnen hechten aan de cellulaire receptoren, de eiwitten die uitsteekseltjes vormen aan de celwand. Sommige receptoren wekken een elektrische impuls in de celwand op, andere receptoren maken een poortje open om moleculen binnen te laten. Dat kan leiden tot een stimulerende of remmende invloed. Mogelijkerwijs heeft dat tot gevolg dat er in de cel een kettingreaktie optreedt door het afgeven van stoffen die weer andere processen op gang brengen (second messengers). Sommige eiwitten komen na activatie in de celkern terecht en kunnen daar aanleiding geven tot koppeling aan het DNA in de chromosomen en daardoor een verhoogde produktie van een specifiek eiwit op gang brengen. Afb.: schematische voorstelling van receptoren aan de cel. 

Magneetvelden voor therapie

Wanneer biologische systemen elektromagnetische straling kunnen uitzenden en ontvangen en de celgroepen hun activiteit daarmee aansturen, zit daarin dus een mogelijkheid voor zowel diagnose als therapie. Kortgeleden is in een nieuw onderzoek vastgesteld dat ons DNA werkt als een antenne die in staat is magnetische velden met extreem lage frequenties op te vangen, met een bereik tot in de range van de radiofrequenties. Dat is niet zo vreemd, omdat het DNA in uitgerolde toestand ca 1,8 meter lang is en met die lengte inderdaad als opgerolde fractal antenne zou kunnen functioneren. In dit onderzoek werd een relatie getrokken met de verhoging van de produktie van stress-eiwitten en strengbreuken in het DNA. Een dergelijke uitkomst zou kunnen samenhangen met een verhoogde kans op kanker door DNA schade. Aangezien overal om ons heen hoogspanningkabels, zendmasten, elektronische apparatuur in huizen en draadloze netwerken worden aangelegd, moet de totale belasting nogal hoog zijn.

In Denemarken is een  onderzoek verricht naar de invloed van ‘pulsed electromagnetic fields’ (PEMF) [Interactions of low frequency pulsed electromagnetic_field, by Ulrik L. Rahbek - 2005]. Zij vonden een stimulerende invloed van PEMF op de botgroei in fracturen, herstel van beschadigde zenuwcellen en ingroei van nieuwe bloedvaten. In een onderzoek bij 125 patienten met niet helende scheenbeen fracturen werd een successrate genoteerd van 87%, waarbij een gemiddelde veldsterkte werd aangehouden van 1,5 mV/cm in de lengterichting van het scheenbeen8. De botingroei bij kaakimplantaten verbeterde bij blootstelling aan een frequentie van 100 Hz bij een tijdsduur van 4-8 uur per dag. Een ander onderzoek naar het beïnvloeden van depressiviteit met behulp van magneetvelden leverde op dat inderdaad een positief effect meetbaar was bij blootstelling aan frequenties van 0 - 20 Hz. Verbazingwekkend genoeg leverde 0.3 Hz een beter resultaat dan 10 Hz. Zo kan electromagnetische straling dus een negatief effect, maar ook een positief effect hebben.

In de Bioresonantie wordt gebruik gemaakt van een lijst met frequenties die invloed hebben op specifieke organen. Deze lijst is het resultaat van jaren onderzoek, gebundeld door vele samenwerkende therapeuten. Een paar voorbeelden: 58-60 kHz = lever, 125-127 kHz = zenuwen, 60 Hz = nieren en hart, 800 Hz = dunne darm en maag, 52 kHz = blaas. De toepassing wordt gedaan met een audioversterker met een ingang, een volumeregelaar en een uitgang. Het ingangssignaal komt bijvoorbeeld van de patient zelf, door een elektrode in contact met de huid te brengen en het signaal aan de ingang van de versterker aan te leggen.

Het doorgelaten frequentiegebied van de BICOM loopt van 10 Hz tot 150 kHz. De uitgang is aangesloten op een draadspoel in een flexibele mat, ongeveer zoals een luidspreker wordt aangesloten. In de versterker bevindt zich een een filter dat ingesteld kan worden op specifieke frequenties of op een ‘sweep’ (een doorloop van alle frequenties met een instelbare doorloopsnelheid). De toepassing van het apparaat is feitelijk redelijk simpel. De complexiteit zit in de combinatie van de te vinden mix van frequenties enerzijds en de aard en lokatie van de aandoening anderzijds. Bij iedere patient is dat verschillend. Daarom is een ‘dubbel blind’ onderzoek onmogelijk. Het is aan de therapeut om een methode te vinden om via tests aan de weet te komen hoe de juiste instellingen gedaan moeten worden om de optimale frequentiemix te vinden. Er is dus afhankelijkheid van de bekwaamheid van de therapeut. De toeloop op bioresonantie praktijken is opmerkelijk.

Dat deze methode effectief kan zijn, wordt beschreven in enkele onderzoeken die daar naar zijn gedaan. Hier volgen er enkele:

Verder onderzoek is noodzakelijk, maar vele patienten verklaren zelf dat hun toestand is verbeterd, nadat zij met deze therapie begonnen.

Intensive Care For You | Biofysische Geneeskunde | BioResonantie  | ron.havenaar@kpnmail.nl